Auteursarchief: Adrie Rozendaal

Sluitertijd

Voor het vastleggen van een beeld met de sensor is een bepaalde hoeveelheid licht nodig. Die hoeveelheid kun je op twee manieren regelen: met de duur van de belichting (de sluitertijd) en met de lensopening  (het diafragma).

De duur van het belichten, of de tijdsduur, heet van oudsher sluitertijd. Eigenlijk is sluitertijd een verouderd begrip, beter zouden we tegenwoordig van belichtingstijd kunnen spreken, omdat er niet altijd een fysieke sluiter aan te pas komt.

De sluitertijd heeft naast het regelen van de belichting ook een functie die met beweging (snelheid) te maken heeft. Als er sprake is beweging, wordt een foto bij te lange belichtingstijd onscherp.

Je hebt te maken met twee soorten beweging: de beweging van objecten die in beeld zijn én met je eigen bewegingen waardoor de camera niet stil staat terwijl je de opname maakt.

Je eigen bewegingen kun je uitschakelen door je camera op een statief te monteren. Als dat niet kan, helpt het ook door een hand waarmee de camera vasthoudt tegen bijvoorbeeld een paal of een muur te drukken.

Er komt hier nog een factor om de hoek: de brandpuntsafstand van de lens die je gebruikt.

Hoe langer de brandpuntsafstand, des te eerder heb je last van  bewegingsonscherpte. Dat effect merk je heel goed als je door een verrekijker kijkt die je met de hand vasthoudt.

Een vuistregel ten aanzien van bewegingsonscherpte is: zorg er voor dat de sluitertijd korter is dan 1/brandpuntsafstand.

Het is een vuistregel, maar niet meer dan dat. De mate van bewegingsonscherpte hangt ook af van technische aspecten van je camera en/of lens: de kwaliteit van de beeldstabilisatie. Dus uiteindelijk is het vooral een ervaringsgegeven dat ook afhankelijk is van hoe ‘vast je hand’ is.

Beweginsonscherpte is niet verboden. Je kunt die juist gebruiken om de snelheid van een object te laten zien. Of beweging uitmiddelen waardoor er een bepaalde sfeer ontstaat. Dit laatste wordt nogal eens toegepast bij het fotograferen van water of wolken.

Daar tegenover staat het ‘bevriezen’ van beweging. Als het beeld dat je fotografeert heel snel beweegt kun je een toestand vastleggen die je met je ogen niet kunt zien. Je ogen hebben nu eenmaal ook licht en tijd nodig om een beeld te vormen.

Hierbij heb je veel licht nodig in korte tijd. Dat werkt in zonlicht, maar valt niet mee met kunstlicht. In dat geval kan een flitslamp van pas komen: de duur van een flits is uitermate kort. De sluitertijd wordt dan als het ware bepaald door de duur van de flits.

Panning

Bij ‘camera panning’ beweeg je je camera mee met een bewegend onderwerp. Door dat onderwerp zo goed mogelijk op dezelfde plaats in het beeld te houden wordt het scherp weergegeven, mits je sluitertijd en handvastheid dat mogelijk maken.

De truc is om de sluitertijd zodanig te kiezen dat alles wat niet je onderwerp is, wazig wordt door bewegingsonscherpte, omdat je je camera opzettelijk beweegt. Dit suggereert in je opname snelheid van het onderwerp waar het om gaat.

Aanpak en tips

Nadat je een onderwerp en een locatie hebt gevonden kijk je wat je beste standpunt is zodat je enige ruimte hebt om te het bewegend onderwerp op te pakken en mee te bewegen.

  • Kies de gewenste brandpuntsafstand (zoomlens of prime lens). Dit is van belang voor de sluitertijd.
  • Zet je camera op handmatige belichting.
  • Stel eerst de sluitertijd in. Deze is in principe zo traag mogelijk, maar wel passend bij de brandpuntsafstand. Zonder stabilisatie is dat bij fullframe ongeveer 1/brandpuntsafstand. Met een 50mm lens probeer je dus tussen 1/30 en 1/100 sec. Hoe langzaam jij en je camera dat kunnen hangt ook af van de kwaliteit van de beeldstabilisatie van je camera en/of lens. Als je sluitertijd (te) kort is, dan zal de achtergrond ook scherp worden weergegeven. Als je sluitertijd te lang is, krijg je je onderwerp niet scherp. Dat kan wel wat probeertijd vergen. Verder hangt het natuurlijk ook nog af van de snelheid van je onderwerp. Als dat betrekkelijk traag beweegt, is een tamelijk lange sluitertijd nodig om de omgeving de bewegingsonscherpte mee te geven.
  • Kies het diafragma (en eventueel ISO) zodanig dat de belichting goed is in een gebied waar de achtergrond niet te licht is. Wanneer je beweegt kan er bijvoorbeeld meer water of lucht in beeld komen waardoor je onderwerp onderbelicht zou kunnen worden. Hoe de scherptediepte uitwerkt in het resultaat is ook een kwestie van uitproberen.
  • Zet scherpstelling op automatisch en continue (zo mogelijk met ’tracking’).
  • Stel ‘drive mode’ in op een bijpassende waarde. Zo’n 5-10 beelden per seconde zal doorgaans voldoen. Dit hangt verder af van de snelheid van je onderwerp.

Nu is het een kwestie van klaar staan. Zodra het onderwerp in beeld komt zorg je dat je camera daarop scherpstelt en dat ook vasthoud. Je beweegt mee met het onderwerp en op het gewenste moment druk je de ontspanknop door en starten de opnames.

De reden om meerdere beelden per seconde te maken zal je duidelijk worden zodra je de opnames bekijkt. Het merendeel zal slecht zijn. Zoek de beste er uit en de rest in de prullenbak. Het kan goed zijn dat je eerste pogingen niet slagen. Laat je niet ontmoedigen: met vallen en opstaan kom je er wel!

 

ISO Waarde

De ISO waarde is een maat voor de lichtgevoeligheid van de sensor. Ook dit begrip stamt uit het ‘analoge tijdperk’: het was een eigenschap het lichtgevoelige materiaal dat je gebruikte en de manier waarop het ontwikkeld werd. Dat geldt voor zowel het filmrolletje als het afdrukmateriaal achteraf.

De lichtgevoeligheid van het materiaal verschilde per fabrikant en per materiaalsoort. Om een camera goed in te kunnen stellen én met het oog op merkonafhankelijkheid, is er ooit deze industriestandaard afgesproken. Dus, welk merk of type camera je ook hebt, als je instelt ‘ISO 100’ dan komt dat altijd overeen met elkaar.

In een digitale camera zit maar één sensor die van nature ook maar één (optimale) lichtgevoeligheid kent. Toch is de lichtgevoeligheid instelbaar gemaakt, zoals elk filmrolletje een specifieke lichtgevoeligheid kende.

De reden achter het instellen van de ISO waarde is het ‘oprekken’ van het bereik om te kunnen fotograferen bij verschillende lichtomstandigheden, met een bepaalde keuze voor sluitertijd en diafragma. Dit zie je terug in de belichtingsdriehoek.

Echter, er vandert niets aan de sensor: bij een hogere ISO waarde stel je de camera tevreden met minder licht en tegelijkertijd geef je de software er in de opdracht er desondanks het beste van te maken. Een ISO waarde verhogen betekent altijd verlies van kwaliteit. Dit verlies is veel gevallen acceptabel ten opzichte van het doel wat je er mee wilt bereiken. Het verlies aan kwaliteit bij verhogen zie je terug in toename van ruis (korrelachtige structuur), fletsere kleuren en minder scherpte. Bij extreem verlagen (minder gevoelig instellen dan optimaal) verlies je dynamiek.

Tips

Als je afstapt van (vol)automatisch fotograferen, zet dan eerst de ISO waarde vast. Bij normale omstandigheden kies je voor de beste kwaliteit. Dat is de laagst gespecificeerde ‘normale’ waarde: doorgaans ISO 100 tot 200.

BIJ omstandigheden met weinig licht verhoog je de ISO, maar zet je hem weer ‘vast’. Het handigst is dat in flinke stappen te doen, al naar gelang de omstandigheden: meteen op ISO 800 of 3200, en er dan van af blijven. Nog hoger kan ook, maar realiseer je dan wel dat de ruis in je foto’s flink kan gaan toenemen. De hoeveelheid ruis hangt vooral van de kwaliteit van de sensor in je camera af.

Sensors en pixels

Bij elke digitale camera vindt je een specificatie van het aantal (mega)pixels. De grootte van de sensor in de camera wordt vooral genoemd bij spiegelreflex en systeemcamera’s. Bij andere camera’s zijn de fabrikanten daar tamelijk terughoudend in.

De grootste sensor in gangbare camera’s is de zogenaamde full frame sensor. Die sensor is precies even groot als het kleinbeeld negatief van de analoge kleinbeeld camera’s uit vervlogen tijden: 36 mm breed, 24 mm hoog. De beeldverhouding is 3:2.

Het klassieke rolfilmpje was gestandaardiseerd op dat formaat, zodat elk merk rolfilm paste in elk merk camera en ook in elk merk vergroter.

Hier een foto van het rolfilmpje

Omdat er bij digitale camera’s geen rolfilm of vergroter meer aan te pas komt is die standaardisatie overbodig geworden en vindt je sensors in veel verschillende afmetingen. De enige die explictiet benoemd wordt is de Full frame sensor, in de praktijk de grootste die wordt toegepast in gangbare camera’s.

Naast de grootte van de sensor is het aantal pixels (of beeldpunten) waarmee het beeld wordt opgebouwd. Het wordt altijd uitgedrukt in ‘megapixels’ (afgerond in miljoenen) en voor het formaat van een afbeelding in het aantal horizontaal en vertikaal (bijvoorbeeld: ca. 20Mp, met 5400 x 3600 pixels per beeld).

Hoeveel pixels heb je eigenlijk nodig? Houd daarbij rekening met je doel, hoe je je foto’s wilt kunnen presenteren:

  • Normaal beeldscherm of beamer: daarop kun je maximaal 1920 x 1080 pixels onderscheiden. Meer is daarbij niet zinvol omdat je computer de foto die je toont altijd zal omzetten in 1920 x 1080. Je beeld hoeft dan niet meer dan 2,1 Mp te zijn.
  • Een 4K beeldscherm: dat ondersteunt 3840 x 2160 pixels. Om zo’n scherm netjes te vullen heb je dus afbeeldingen nodig van minimaal 8,3 Mp.
  • Hoogwaardig drukwerk: dit vereist 300 pixels per inch. Dan hangt het aantal pixels dat je nodig hebt af van de grootte die je wilt laten afdrukken. Een A4-formaat is 8,7 Mp (3510 x 2490), een A3-formaat is 17,4 Mp (4950 x 3510) . Zoals je ziet, heb je voor een formaat groter dan A3 bij hoge kwaliteit al gauw meer dan 20 Mp nodig.
Bij grote afdruk formaten zijn veel meer pixels nodig dan het aantal waarover de sensor beschikt. Er zijn verschillende manieren om dat voor elkaar te krijgen:
  • Sensorverschuiving: sommige camera’s hebben de mogelijkheid om in korte tijd meerdere opnames te maken en daarbij de sensor telkens een fractie te verschuiven. Vervolgens wordt een beeld samengesteld uit deze opnames met het vier- of achtvoudige aantal pixels;
  • Panaroma opname: het vast te leggen beeld wordt samengesteld uit een aantal losse opnames die onderling circa 20% overlappen. De camera wordt, voorzien van een lens met een kleinere beeldhoek dat het gewenste totaalbeeld, voor elk beeld een stukje gedraaid;
  • Beeldbewerking: met behulp van zogenaamde ‘Artificial Intelligence’ wordt het aantal pixels middels beeldbewerking op een computer opgevoerd.

De eerste twee methoden zijn alleen geschikt voor onderwerpen waarbij er nauwelijks sprake is van beweging. Bij beeldbewerking maakt dat niet uit, maar het resultaat is doorgaans ook wat artificieel.

 

 
 
 

Beeldbewerking

Niets is perfect, ook niet in digitale fotografie. Dat begint bij jezelf, bijvoorbeeld: je hield camera niet recht, je ziet dingen in beeld die er eigenlijk niet in wilde hebben of je ingestelde belichting was niet optimaal. Maar ook in technisch opzicht is digitaal fotograferen een aaneenschakeling van compromissen en interpretatie van het vastgelegde beeld door software in je camera.

Kortom, ga meer bewust om met fotograferen en het beeld dat je wilt overbrengen, dan ontkom je niet aan beeldbewerking achteraf. In de eerste plaats corrigeer de ‘automatische piloot’ die in de camera is geprogrammeerd.

In de tweede plaats maak je bewust andere keuzes dan ‘puur natuur’ en werk je een foto bij vanuit een creatief oogpunt.

De scheidslijn tussen wat kan en mag is wankel en hangt af van het doel van je opname. Als je een foto wilt gebruiken voor een poster voor een of ander evenement, dan zijn er geen grenzen aan (grafische) bewerkingen.

Aan de andere kant, als je een foto wilt publiceren als beeld van de werkelijkheid vanuit een journalistiek oogpunt, dan zijn beperkingen op zijn plaats. Het is een ethische keuze wat wel of niet fatsoenlijk is bij het overbrengen van de waarheid.

Bewerking kun je dus aanpakken als ‘correctief’ en als ‘creatief’. De hulpmidelen daarbij zijn gedeeltelijk hetzelfde. Bij creatieve bewerkingen komen meer geavaceerde hulpmiddelen om de hoek kijken. Er zijn veel programma’s beschikbaar voor beelbewerking op je smarphone of computer, van gratis tot prijzig.

‘State of the art’ in deze wereld zijn de programma’s van Adobe. Voor correctief bewerken kun je prima uit de voeten met Lightroom. Voor meer preciese en meer creatieve bewerking kom je dan terecht bij Photoshop. Het laatste geniet zelfs de bekendheid van het werkwoord ‘photoshoppen’, de ultieme vorm van naamsbekendheid in marketing termen.

Perspectief: 3D in 2D

In onze echte wereld beleven wij een stilstaand beeld in drie assen of drie dimensies: horizontaal (links-rechts), verticaal (laag-hoog) en diepte (dichtbij-veraf). Diepte ervaren we doordat we met twee ogen kijken of ons verplaatsen.

Een basale eigenschap van een foto is de beperking tot twee dimensies: links-rechts en hoog-laag. Een foto is en blijft een plat vlak. De derde dimensie, de diepte of voor-achter, is niet fysiek aanwezig maar wordt gesuggereerd.  Dat heet ‘perspectief’.

Bovenstaande afbeelding illustreert hoe de diepte wordt gesuggereerd. Bomen die dichtbij zijn worden groter afgebeeld dan bomen die ver weg zijn.

Een tweede kenmerk is dat parallelle lijnen, zoals de kanten van de weg, samen komen op een punt aan de horizon. Dit punt heet ‘verdwijnpunt’.

Het wordt lastiger als er een object in beeld komt. In het voorbeeld hierboven van een huisje zie je het verschil tussen het ‘kind-perspectief’ en een correct geconstrueerd perspectief. Een kind is zich nog niet bewust van het suggereren van diepte en tekent parallelle lijnen evenwijdig.

In de constructietekening zie je de essentie van het perspectief: evenwijdige lijnen die niet parallel liggen met het vlak van de waarnemer komen samen in de verdwijnpunten, virtuele punten op de horizon.

De plaats van de verdwijnpunten op de de horizon hangt af van de afstand van de waarnemer tot het object en de hoek waaronder die kijkt. Als je dichtbij staat, komen ze ook dichter bij het object en worden de lijnen schuiner. Als je heel ver weg staat, liggen de verdwijnpunten ook ver naar links c.q. naar rechts en worden de lijnen bijna evenwijdig. Als je er recht voor staat, ligt het verdwijnpunt precies in het midden van de afbeelding.

Strikt genomen zijn er niet twee, maar drie verdwijnpunten. Naast die op de horizon liggen er ook een op de verticalis.

Links in bovenstaande afbeelding fotografeert de waarnemer een vierkante buis, vanuit een positie recht voor het midden en de camera uitgelijnd met het voor-vlak van de buis. In die situatie vallen twee verdwijnpunten weg (op de horizon en op de verticalis) omdat ze in het ‘oneindige’ liggen. Links of rechts, hoog of laag maakt daarbij niet uit. In het midden komen alle lijnen samen die van voor naar achter lopen. Effectief is er dan slechts één verdwijnpunt aanwezig in de afbeelding.

In de rechter afbeelding is de camera verplaatst naar links en tevens een tikje in de hoogte gericht. Dan spelen alle drie de verdwijnpunten een rol.

Heel vaak proberen we het samenkomen van de verticale lijnen te voorkomen. Dat komt omdat ons meest gangbare standpunt zo’n beetje op ooghoogte ook het midden is van veel objecten, zoals de muren van huizen in een straat. Ook bij foto’s van interieurs werkt dat zo, zie bijvoobeeld funda.

Echter, bij hoge gebouwen gaat dat niet op. Ons standpunt is dan relatief zo laag dat het verticale verdwijnpunt een natuurlijk gegeven is om het perspectief weer te geven.

Met name in die gevallen moet je verzichtig zijn met ‘recht trekken’ in Lightroom of Photoshop. Technisch kan het wel, maar het gaat er onnatuurlijk uit zien, zoals in onderstaande foto.

Om de verticale lijnen van een hoog gebouw parallel op een foto te krijgen zijn er verschillende oplossingen:

  • Op relatief grote afstand met een telelens;
  • Hoog standpunt kiezen, vanaf een ander gebouw of met een drone;
  • Forse groothoek gebruiken, toestel verticaal houden en het overbodige deel van de foto afknippen;
  • Een ’tilt shift lens’ gebruiken, waardoor je de sensor verticaal kunt houden.

Bij het kunstmatig (verticaal) recht trekken van een foto verander je als het ware het opname standpunt. Bijvoorbeeld, sta je voor een gebouw van 10m hoog, dan krijg je het alleen recht op de foto als je camera op ca. 5m hoogte staat en je het toestel verticaal houdt. Het beeld verandert hier: je kijkt óp de vloer van de tweede verdieping. Die zou je nooit in beeld krijgen als je op de begane grond staat, het toestel achterover houdt en de opname recht trekt. Bij dit soort neveneffecten van recht trekken krijg je soms het gevoel ‘er klopt iets niet in deze foto’.

Test upload

Schrijven met licht

Letterlijk vertaald betekent het woord fotografie ‘schrijven met licht’. Fotografie is ontstaan vanuit de menselijke behoefte om beelden vast te leggen.

Van oudsher zijn tekenen en schilderen gericht op hetzelfde doel. Dat is nogal omslachtig en het is niet aan iedereen gegeven die technieken te beheersen.

Licht in natuurkunde

Terug naar de basis: onze primaire ervaring van licht komt van de zon. De zon is, net als elke ster aan het firmament, een enorme kernreactor. Bij elke kernreactie komt licht vrij, dat de ruimte wordt ingeslingerd. Bij elke reactie hoort een bepaalde frequentie, die een specifieke lichtkleur vertegenwoordigt.

Omdat er onvoorstelbaar veel soorten reacties op hetzelfde moment plaatsvinden, zijn er talloze kleuren vertegenwoordigd in het zonlicht. Alles bij elkaar opgeteld ervaren wij dit als ‘wit’ licht. Voor het zichtbare gedeelte althans, er is een veel breder spectrum aan kleuren aanwezig dan wij kunnen waarnemen.

De verschillende kleuren in het witte licht  kun je zien in een regenboog of achter een spectrum waarop je wit licht laat vallen. Een regenboog vertegenwoordigt eigenlijk alle frequenties (kleuren) licht waarvoor onze ogen gevoelig zijn. Wit licht is een samenstelling van gekleurd licht.

Het zien van vorm en kleur heeft te maken met reflectie en absorbtie. Bepaalde stoffen absorberen bepaalde freqeunties en reflecteren andere frequenties. Door bijvoorbeeld groen licht te absorberen, wordt meer rood licht gereflecteerd en ervaren wij een oppervlak als rood.

Licht met één specifieke frequentie of kleur noemen we ‘monochroom’. Door verschillende monochrome lichtbundels te mengen ervaren wij andere kleuren. Het is mogelijk om ‘alle’ zichtbare kleuren op te bouwen door drie kleuren met elk een bepaalde intensiteit te mengen. De meest gebruikte variant van dit principe is de combinatie van rood, groen en blauw (RGB) licht, de primaire kleuren.

Een andere combinatie is bijvoorbeeld CMYK (cyan, magenta, yellow, key), die veelal gebruikt wordt bij het afdrukken.

Licht heeft een zekere energie inhoud. Als licht ergens op valt kan de straal niet verder en komt deze energie vrij. Hoewel het maar een minieme hoeveelheid is, is het voldoende om in lichtgevoelig materiaal een iets om te zetten. In ons oog doet het netvlies dat, in een digitale camera de sensor.

Deze omzetting wordt een aantal keren per seconde ‘uitgelezen’ en daarna geïnterpreteerd. In ons oog doen de hersenen dat, in de camera zit een computer voor dat doel.

Digitale spiegelreflex camera

De Digitale spielgereflex camera (of DSLR camera) is gebaseerd op de technologie van zijn analoge voorganger: de (kleinbeeld) spiegelreflex camera.

Het is een beproefde, maar relatief dure, technologie waarmee camerafabrikanten in staat waren snel op in te spelen op de digitalisering van de fotografie.

Mechanisch en optisch is de spiegelreflex een technisch hoogstandje waarbij je in de zoeker via een spiegel door de lens kijkt. Je  ziet zonder enige vertraging wat er op een foto gaat komen zodra je op de ontspanner drukt. Ook als je er een andere lens op zet blijft dat zo functioneren.

De electronica, de sensor en de processr, die vervolgens hun werk doen om het beeld vast te leggen, verschilt niet wezenlijk van andere cameratypes. Door de geleidelijke verbetering van de electronica en verandering van menselijke voorkeur wordt de spiegelreflex technologie langzamerhand verdrongen door de systeemcamera.