Sluitertijd

Voor het vastleggen van een beeld met de sensor is een bepaalde hoeveelheid licht nodig. Die hoeveelheid kun je op twee manieren regelen: met de duur van de belichting (de sluitertijd) en met de lensopening  (het diafragma).

De duur van het belichten, of de tijdsduur, heet van oudsher sluitertijd. Eigenlijk is sluitertijd een verouderd begrip, beter zouden we tegenwoordig van belichtingstijd kunnen spreken, omdat er niet altijd een fysieke sluiter aan te pas komt.

De sluitertijd heeft naast het regelen van de belichting ook een functie die met beweging (snelheid) te maken heeft. Als er sprake is beweging, wordt een foto bij te lange belichtingstijd onscherp.

Je hebt te maken met twee soorten beweging: de beweging van objecten die in beeld zijn én met je eigen bewegingen waardoor de camera niet stil staat terwijl je de opname maakt.

Je eigen bewegingen kun je uitschakelen door je camera op een statief te monteren. Als dat niet kan, helpt het ook door een hand waarmee de camera vasthoudt tegen bijvoorbeeld een paal of een muur te drukken.

Er komt hier nog een factor om de hoek: de brandpuntsafstand van de lens die je gebruikt.

Hoe langer de brandpuntsafstand, des te eerder heb je last van  bewegingsonscherpte. Dat effect merk je heel goed als je door een verrekijker kijkt die je met de hand vasthoudt.

Een vuistregel ten aanzien van bewegingsonscherpte is: zorg er voor dat de sluitertijd korter is dan 1/brandpuntsafstand.

Het is een vuistregel, maar niet meer dan dat. De mate van bewegingsonscherpte hangt ook af van technische aspecten van je camera en/of lens: de kwaliteit van de beeldstabilisatie. Dus uiteindelijk is het vooral een ervaringsgegeven dat ook afhankelijk is van hoe ‘vast je hand’ is.

Beweginsonscherpte is niet verboden. Je kunt die juist gebruiken om de snelheid van een object te laten zien. Of beweging uitmiddelen waardoor er een bepaalde sfeer ontstaat. Dit laatste wordt nogal eens toegepast bij het fotograferen van water of wolken.

Daar tegenover staat het ‘bevriezen’ van beweging. Als het beeld dat je fotografeert heel snel beweegt kun je een toestand vastleggen die je met je ogen niet kunt zien. Je ogen hebben nu eenmaal ook licht en tijd nodig om een beeld te vormen.

Hierbij heb je veel licht nodig in korte tijd. Dat werkt in zonlicht, maar valt niet mee met kunstlicht. In dat geval kan een flitslamp van pas komen: de duur van een flits is uitermate kort. De sluitertijd wordt dan als het ware bepaald door de duur van de flits.