Auteursarchief: Adrie Rozendaal

Focus Stacking

Focus Stacking is een manier om ultieme scherptediepte in een foto te verkrijgen, wanneer dit met eén lens in één opname niet lukt. Dergelijke opnames kunnen gewoon mooi zijn, maar ook onwerkelijk, een beetje surrealistisch. Dat hangt samen met het scherp stellen door onze ogen: die reageren onmiddellijk als je de focus verlegt. Daardoor denken we dat we alles scherp zien. Jawel, maar niet in eén keer.

Bij focus stacking maak je een reeks opnames vanaf (exact) hetzelfde standpunt waarbij je het scherpstelpunt bij iedere opname verschuift, zoals je ogen dat ook doen. Achteraf worden deze opnames gecombineerd met behulp van software, bijvoorbeeld Photoshop, waarbij een beeld wordt opgebouwd uit alleen de scherpe delen van de verschillende opnames. En dit is wat onze ogen niet doen, wat het surrealistische effect geeft.

Praktische tips

  • Qua onderwerp  en de belichting moeten voor alle opnames gelijk zijn. Bij sommige camera’s en situaties kan dat uit de hand, maar doorgaans is een statief noodzakelijk. Het onderwerp zelf moet stil staan gedurende het maken van alle opnames. In een landschap met een stevige wind of met mensen in een straat zal dit niet lukken: er onstaat dan ‘bewegings onscherpte’ doordat het beeld verandert.
  • Zet de camera op bij voorkeur op ‘handmatig’, om er voor te zorgen dat de belichting gelijk blijft en dat het diafragma niet verandert tussen verschillende beelden. Dat geldt ook voor de ISO waarde.
  • Bedenk hoeveel opnames er nodig zijn. BIj een geringe scherptediepte moet je veel opnames maken waarbij het scherpstelpunt telkens weinig verschuft. BIj een grote scherptediepte kun je volstaan met slechts enkele opnames.
  • Kies voor elke opname een geschikt scherpstelpunt. Schakel automatisch scherpstellen uit als het niet zo eenvoudig is om het punt waar de camera scherp stelt nauwkeurig in te stellen. Bij handmatig scherp stellen heb je dat uiteraard volledig zelf in de hand.
  • Samenstellen van de opnames doe je op je computer (tenzij je camera het zelf kan). Er zijn specifieke programma’s voor, maar het gaat ook prima met Photoshop. In de handleiding is dat goed beschreven.

Scherptediepte

Scherptediepte is het gebied van voor tot achter het scherpstelpunt dat je in de opname als scherp ervaart. Wat scherp is, is een wat persoonlijk ervaringsgegeven voor een geleidelijk verloop van scherp naar onscherp.  Hiermee hangt ook het ‘Bokeh effect‘ samen, de manier waarop lichtpunten bij een hoge mate van onscherpte door een lens worden afgebeeld.

Het is een best complexe materie. Hij wordt beinvloed door diverse factoren: de afstand van de camera tot het scherpstelpunt, de brandpuntsafstand van de lens, het ingestelde diafragma en de grootte van de sensor. Het is mogelijk de scherptediepte te berekenen of op te zoeken in tabellen. Berekenen is bepaald niet eenvoudig…

Hoewel scherptediepte een technisch begrip is, heeft die een belangrijke functie in je opnames. Het gaat daarbij met name om de focus en de dieptewerking in relatie met hetgeen je wilt overbrengen. Bijvoorbeeld, als je wilt laten zien dat Truus in Londen is, dan zorg je er met een grote scherptediepte voor dat zowel zij als de Tower Bridge scherp zijn. Maar, als je de schoonheid van Truus zelf wil laten zien, dan kies je een geringe scherptediepte zodat de omgeving daarvan niet afleidt.

Bij de meeste prime-lenzen kun je de scherptediepte aflezen. Bij zoomlenzen lukt dat in het algemeen niet. In principe kun je de scherptediepte beoordelen door de zoeker. Daarvoor heeft je camera een (mogelijk) een speciaal knopje waarmee een ingesteld diafragma wordt weergegeven of gesimuleerd in de zoeker. JDesondanks is het soms handiger of veiliger om een aantal opnames te maken met verschillende scherptediepte waaruit je achteraf een keuze maakt.

Praktische tips

Er zijn drie aspecten waar je bij scherptediepte rekening mee moet houden:

  • De relatieve afstanden tussen je camera, het hoofdonderwerp en wat daarachter zit;
  • De brandpuntsafstand van je lens of ingesteld bij een zoomlens;
  • De keuze voor het ingestelde diafragma.

Uiteraard heeft het instellen het diafragma direct consequenties voor de kwaliteit van de opname en indirect voor de sluitertijd en de ISO waarde. Enkele vuistregels:

  • Geringe scherptediepte: diafragma open, wat langere brandpuntsafstand, richten op een hoofdonderwerp dat relatief dichtbij is.
  • Veel scherptediepte: diafragma dicht, wat kortere brandpuntsafstand, scherpstelpunt niet te dichtbij.
  • Het scherptedieptegebied zit meer áchter het scherpstelpunt dan er voor: ca. 1/3  er voor en  2/3 er achter.

Begin derhalve met je af te vragen ‘wat is wenselijk voor de foto die ik wil gaan maken?’ Als het moeilijk is dat van tevoren te bedenken, dan zit er weinig anders op dan meerdere opnames te maken met een verschillende scherptedieptes.

Wat meer detail omtrent keuzes en instellingen:

  • Keuze brandpuntsafstand: voor een geringe scherptediepte kies je een wat langere brandpuntsafstand en bepaal je het beeld dat je wilt vastleggen door je camera vooruit of achteruit te verplaatsen. Ofwel, zoomen met je voeten.
  • Hoofdonderwerp los van de achtergrond: om een duidelijk verschil in scherpte te krijgen kan het ook zijn dat je het hoofdonderwerp dichter naar de camera brengt ten opzichte van de achtergrond. Dan valt de achtergrond eerder buiten de scherptediepte.
  • Keuze van de cameramodus: zet die op diafragma voorkeuze, of  handmatig. 
  • Het diafragma: voor een geringe scherptediepte flink open zetten. Zoek daarbij een balans met de gewenste kwaliteit: een lens presteert minder bij de grootste diafragma openingen. Andersom, bij grote scherptediepte kies je voor een klein diafragma. Ook hier geldt dat de kwaliteit van een lens afneemt bij de kleinste diafragma waarden.
  • Bij alle standen van het diafragma: controleer de sluitertijd en zonodig de ISO waarde. Let daarbij op mogelijke bewegings onscherpte.

De scherptediepte kan verder verhoogd worden met ‘focus stacking‘.

Specifiek voor crop camera’s

Voor camera’s met een sensor die kleiner is dan ‘fullframe’ moet je doorgaans rekening houden meer scherptediepte. Wanneer de beeldhoek gelijk is aan fullframe, is de brandpuntsafstand van de lens korter (delen door de cropfactor). Door de kortere brandpuntsafstand is de scherptediepte juist groter. Soms is dat een voordeel, maar niet als je geringe scherptediepte wil toepassen in een opname.

De scherptediepte is bij gelijk diafragma groter dan die bij fullframe is. Om dezelfde scherptediepte te bereiken moet je het diafragma ten opzicht van fullframe ook delen door de cropfactor. Dus, de scherptediepte bij fullframe 50mm/f2.8 komt (ongeveer) overeen met die bij APS-C 30mm/f1.8. Een kleine scherptediepte zoals bij fullframe met f1.4 of f1.2 kun je met een crop camera nooit bereiken.
Andersom, voor een grote scherptediepte kun je bij een crop camera volstaan met een lagere diafragma waarde vergeleken met fullframe.

Bokeh effect

Bokeh is een effect, het gevolg van de manier waarop een lens omgaat met onscherpte bij geringe scherptediepte. 

Het toont zich als een structuur van vage, min of meer cirkelvormige vlekken van verschillende kleur en helderheid.

Het treedt op in de achtergrond van een opname bij een grote lensopening, dus geringe scherptediepte,  in combinatie met scherpstelling op een onderwerp tamelijk dichtbij. Bij prime-lenzen is het meer aanwezig dan bij zoomlenzen. Bij korte brandpuntsafstanden minder dan bij lange.

Het is eigenlijk een bijverschijnsel. Een regelaar is er niet voor, zij het dat er afhankelijkheid is van de diafragma opneing. Bij  De manier waarop het effect zichtbaar is wordt vaak gezien als kwaliteitscriterium van een lens. Het effect bewust inzetten is dan ook niet gemakkelijk: van tevoren zie je het door de zoeker niet het resultaat als, tenzij je op volle lensopening fotografeert.

Lensbal

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Brandpunt en perspectief

Het kiezen van een lens hangt niet alleen af van de gewenste beeldhoek. Een groothoek- en telelens hebben een verschillend effect op het perspectief, de diepte in je opname.

Een telelens drukt de diepte, het perspectief, in elkaar. Een groothoeklens doet het andersom, die vergroot de diepte. In het plaatje hieronder is aangegeven hoe dat komt.

In beide opnames gaat het om het drietal. Als je die met een groothoeklens goed in beeld wilt krijgen, moet je tamelijk dichtbij staan. Door de grote beeldhoek komt het achterliggende gebouw volledig in beeld op de achtergrond.

Met een telelens krijg je het drietal in beeld door heb van verderaf te fotograferen. Door de kleine beeldhoek in combinatie met de grotere afstand komt de achtergrond maar voor een deel in beeld. 

Merk op dat in dit voorbeeld het drietal in beide opnamen even groot op de foto staat. Dat wil zeggen, door de keuze van de lens, de brandpuntafstand, maak je het hoofdonderwerp meer of minder los van de achtergrond. Of je dat wilt, is een creatieve keuze en hangt af van verschillende factoren. Bijvoorbeeld, wil je laten zien bij welk gebouw ze staan? Of, wat wil je met de achtergrond, wil je dat die scherp is of juist niet. Dat hangt weer samen met de verschillen in scherptediepte van deze lenzen.

Belichting

Een foto maken houdt in dat het weerkaatste licht van je onderwerp, zoals dat door de lens op de sensor valt, een beeld vormt. Er is hoe dan ook een bepaalde hoeveelheid licht nodig: zonder licht geen beeld.

Door beperkingen van de techniek moet dat geregeld worden. Bij teveel licht ontstaat overstraling: de sensor kan dat niet verwerken en het beeld bleekt uit.

Bij te weinig licht ontstaat er een onverzadigd beeld: kleuren zijn dof en vaal en ruis gaat in de opname meer en meer overheersen naarmate er minder licht is.

Er is derhalve een een goede belichting nodig, niet te veel en niet te weinig. Bij verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld in direct zonlicht of in een parkeergarage, verschilt de beschikbare hoeveelheid licht aanzienlijk. Daardoor is het nodig om bij iedere opname de juiste – of gewenste – hoeveelheid licht in te stellen.

De hoeveelheid licht waarmee een goede opname wordt gemaakt hangt af van drie factoren: de lichtgevoeligheid van de sensor (de ISO waarde), de grootte van de lensopening (het diafragma) en de tijdsduur van het belichten (de sluitertijd). Het diafragma en de sluitertijd bepalen de hoeveelheid licht, de ISO-waarde hoeveel licht nodig is.

Afhankelijk van de hoeveelheid licht: 3 waarden
Bij verkleinen diafragma sluitertijd vergroten

De belichtingsdriehoek is een hulpmiddel om dit duidelijk te maken. De oppervlakte van de gestippelde driehoek hierboven kun je beschouwen als de totale hoeveelheid licht. Zodra je één van de drie parameters verandert, verandert de oppervlakte van de driehoek. Met als gevolg: meer of minder licht op de sensor. Om de belichting weer juist te krijgen moet je dan een andere parameter wijzigen waardoor de oppervlakte weer gelijk is, conform de juiste belichting. Dus: wil je grotere diafragma-waarde, zet dan langere sluitertijd (eventueel hogere ISO). Wil je een kortere sluitertijd, zet dan het diafragma verder open (eventueel hogere ISO).

De waarden van deze drie factoren zijn onderverdeeld in zogenaamde ‘stops’.  Eén trapje hoger of lager heeft voor elk van de drie het effect van verdubbeling of halvering van de hoeveelheid licht.

Bij volledig automatische belichting zoekt de camera zelf uit wat de beste combinatie is. Echter, het resultaat strookt niet altijd met wat je verwacht. Dan wordt het tijd zelf te leren hoe je hierbij parameters kunt aanpassen om tot het gewenste resultaat te komen. Echter, iedere wijziging van een parameter heeft weer consequenties. Zie daarvoor de afzonderlijke artikelen over elk van de parameters ISO-waarde, Sluitertijd en Diafragma. 

Bij automatische instelling is er doorgaans een manier op je camera om het wat bij te regelen met plus of min. Kies op basis van hetgeen het belangrijkst is en check altijd of het gevolg voor de andere parameter(s) acceptabel is. Verder kun je met behulp van een fotobewerkingsprogramma achteraf nog wel het een ander corrigeren, maar de beste start blijft een goed ingestelde belichting tijdens het maken van een opname.

In het algemeen kun je best vertrouwen op de automatische instelling van je camera. Desgewenst kun je ISO daarbuiten laten door die op een vaste waarde te zetten, afhankelijk van de omstandigheden. Dat maakt het instellen van de juiste belichting met twee parameters overzichtelijker.

Een automaat weet echter minder goed om te gaan met hoog contrast in het beeld dat je wilt vastleggen (zie ook HDR). Bijvoorbeeld:

  • bij een interieurfoto zal licht door een raam zorgen dat je onderwerp binnen onderbelicht wordt;
  • bij een landschap hangt het sterk af van de omvang die de lucht van je beeld inneemt. veel lucht leidt al gauw tot onderbelichting van het landschap zelf;
  • bij (sterk) tegenlicht kan het onderwerp onderbelicht worden en/of de omgeving overbelicht.

Je hoeft dan nog niet direct op ‘Handmatig instellen’ over te stappen. Je camera helpt je met een compensatie knopje voor ‘over- of onderbelichten’ . Kortom, het gaat er in eerste instantie om dat je er bij stilstaat en bewust kiest.

Zodra je aan het compensatie knopje komt ben je al een beetje handmatig aan het instellen. Dat gaat nog een stap verder als je camera een knopje heeft om de combinatie van sluitertijd en diafragma bij te stellen.

Enkele vuistregels bij handmatig instellen:

  • Gebruik ISO alleen als ‘redmiddel’: zet die vast al naar gelang de omstandigheden en/of andere eisen (bijv. binnen / buiten);
  • Als er risico is op bewegingsonscherpte (lange brandpuntsafstand of onderwerp dat beweegt): zet eerst een korte sluitertijd en stel in met het diafragma. Hoe groter de brandpuntsafstand deste korter de sluitertijd ter voorkoming van bewegingsonscherpte;
  • Wil je geringe scherptediepte (bijv. portret): zet lage diafragma waarde en stel in met de sluitertijd;
  • Grote scherptediepte (bijv. landschap): hoge diafragma waarde en stel in met sluitertijd;
  • Maximale kwaliteit: diafragma ca. 8 – 11.
In situaties zoals hier genoemd kun je ook kiezen voor gedeeltelijke automatische instelling door de modus ‘Sluitertijd voorinstelling’  of ‘Diafragma voorinstelling’. 

Clubavond 12 april

Op dinsdagavond 12 april is er weer een clubavond in ¨De Stadsweide\” te Kortgene, de aanvang is 19:30 uur. Deze avond vindt de bespreking plaats van de foto\’s met het thema \”MINIATUREN¨
Een aantal inzendingen is inmiddels ontvangen. Inzenden kan desgewenst nog tot en met zondag 10 april.

Over camera’s

We leven inmiddels in de tijd van digitale fotografie en bijbehorende camera’s. Die variëren van een eenvoudige Webcams tot geavanceerde digitale camera’s. In deze sectie vind je artikelen over wat principes en verschillende soorten camera’s.

Digitale fotografie wil zeggen dat het beeld wordt vastgelegd op een elektronische beeldsensor. De sensor (en daarmee de beeldinformatie) wordt uitgelezen door een ‘klein maar dapper’ computertje die in de camera is gehuisvest.

Welke camera? Er zijn verschillende manieren om camera’s te typeren. De meest gebruikte typering is overeenkomstig de technische kant, de manier waarop de camera is gebouwd.

Welke camera? Er zijn verschillende manieren om camera’s te typeren. De meest gebruikte typering is overeenkomstig de technische kant, de manier waarop de camera is gebouwd.

Een andere benadering hangt samen met de grootte van de sensor in de camera, zoals de ‘Full frame’ camera. Daarover meer in het artikel over sensors en pixels.

Wat bij je past en hoe goed jouw camera moet zijn, is een persoonlijke kwestie. Veel informatie is beschikbaar bij leden van de fotoclub of op heb web. Ook interessant is een blik op het marktaandeel van diverse fabrikanten.

Marktaandeel gelaimd door de vijf grootste camerafabrikanten. Met Canon aan top komt bij 94% uit Japan.