Auteursarchief: Adrie Rozendaal

Geometrische vormen

Met geometrische vormen worden vormen zoals driehoek, vierkant, rechthoek, circel of ellips en dergelijke bedoeld. In een compositie op basis van geometrische vormen zijn dergelijke vormen als het ware herkenbaar in de ordening van objecten die bij het onderwerp van de foto horen. 

Deze vormen zijn derhalve doorgaans niet letterlijk in beeld aanwezig, maar kunnen herleid worden uit onderdelen van het beeld. Als ze wel letterlijk aanwezig zijn heb je eerder te maken met een compositie die gekenmerkt wordt als statisch of dynamisch.

In de foto hiernaast zie je hoe dat werkt. De (denkbeeldige) driehoek, zoals aangegeven, is de hoofdvorm van deze compositie. Die wordt door de samenstelling van de verschillende volumes impliciet gecreëerd. Merk op dat de objecten elkaar overlappen, ze zijn niet als hoekpunten van een driehoek los van elkaar neergezet. Zo’n geometrische vorm is vaak een onderwerp voor een ‘nietes-welles’ discussie. Echter, dat is niet waar het om gaat. Het gaat om het globale beeld, de indruk van het geheel.

Een driehoek is de meest gebruikte geometrische vorm. Maar ook een cirkel, een ellips, een rechthoek, vierkant, ruitvorm of trapezium zijn geometrische vormen die je kunt toepassen in een compositie. In het voorbeeld hiernaast de elliptische vorm overduidelijk aanwezig. Natuurlijk hoeft die niet kunstmatig samengesteld te worden. Spontaan zo’n vorm treffen is wel zo fraai.

Leidende lijnen

Leidende lijnen zijn vaak gekoppeld aan een diagonaal of dicht daarbij. Zij hebben op de menselijke perceptie een bijzondere invloed of uitwerking. Dit fenomeen is bekend uit de schilderkunst en wordt al eeuwenlang gebruikt om een bepaalde spanning op te roepen.

Een sterk aanwezige diagonaal van linksboven naar rechtsonder, vooral bij portret vorm, duidt op een kracht naar beneden. Een neerwaartse beweging. De diagonaal van linksonder naar rechtsboven roept bij de kijker en opwaartse beweging op en voelt ‘lichter’ aan.

Wanneer iemand naar een afbeelding kijkt vindt er nog merkwaardig fenomeen plaats: afhankelijk van de complixiteit van het beeld scant ons oog dat beeld in een bepaalde volgorde en richting af. Een veel voorkomende route is van linksonder vrijwel horizontaal naar rechts en dan naar linksboven. Door belangrijke elementen in een foto langs die route te plaatsen ziet een kijker wat je graag wilt laten zien.

Er zijn ook complexere paden mogelijk. Die kun je als het ware afdwingen met richting en plaatsing van details.

Het moge vreemd klinken, maar dit soort eigenschappen van de kijker maken mede dat men een foto mooi, interessant of spannend ervaart. Een stuk waardering voor de fotograaf en tegelijkertijd voldoening voor de toeschouwer.

Balanceren

Balanceren betekent ‘in balans houden’. Dat gaat om de plaatsing van onderdelen in een foto ten opzichte van elkaar. Zo kun je ‘zware’ en ‘lichte’ onderdelen onderscheiden.

Een balans kent een natuurkundig principe: hoe langer de arm des te kleiner het benodigde gewicht om in belans te blijven met een ander onderdeel in de foto. En andersom.

Dat vertaalt zich als volgt: is er een relatief zwaar, donker onderdeel in een foto, dan vraagt dat op enige afstand een lichter onderdeel. De verhouding van de afstand tot het zwaartepunt wordt bepaald door de relatieve gewichten.

Een foto kan overkomen als ‘in balans’ of niet. In balans straalt rust uit. Als er geen balans is roept dat spanning op. Het moet ergens heen, maar niet duidelijk is waarheen. In balans of niet is derhalve niet goed of fout. Het hangt er van af wat je uit wilt drukken. Tenzij er sprake is van een onbedoelde onbalans waardoor het beeld in zijn geheel onrustig wordt zonder dat dat een functie heeft.

Lege ruimte

Een compositie met een aanzienlijke lege ruimte neigt naar een abstractie van de werkelijkheid. Men spreekt ook wel over ‘minimalistische’ fotografie.

Het idee wordt met verschillende bewoordingen toegepast: negatieve ruimte tegenover positieve ruimte of soms ‘witte’ ruimte, al dan niet figuurlijk bedoeld.

Een donkere lege ruimte neigt tot drama, een lichte daarentegen tot sereniteit. In beide gevallen voegt het iets toe aan het beeld waarom het gaat, ofwel de positieve ruimte. Deze wordt door de lege ruimte omgeven met een gevoelsmatige atmosfeer.

De lege ruimte hoeft niet helemaal leeg te zijn, ook al is dat vaak het geval.

Er is echter geen sprake van een lege ruimte als er in dat gedeelte van de foto herkenbare objecten zijn die de aandacht afleiden van het object waar het om gaat. Een manier om leegte te bewerkstelligen in een ruimte die feitelijk niet leeg is, is vervagen met behulp van scherptediepte. Bovenstaande foto geeft daarvan een goed voorbeeld. In de onderstaande foto zijn details in de duinen donker gehouden.

Compositie

Eén van de meest elementaire dingen van fotografie is de compositie van de afbeelding, wat er op de afbeelding staat en hoe het is geordend. Een goede foto begint bij een goede compositie.

Compositie is een spel van lijnen, vlakken, vormen en kleuren.

Het betreft veel meer gevoel dan een wiskundige theorie. Er is wel een aantal regels, of liever gezegd, handvatten.

Het gaat er niet om die slaafs na te leven. Maar door er bewust mee om te gaan ontwikkel je je manier van kijken naar wat ziet, wat je vast wilt leggen en laten zien.

Een goede compositie geeft een ‘goed gevoel’, zonder dat het tot in detail verklaard kan worden. Het is een bepaald evenwicht, ons oog en beleving worden op natuurlijke wijze meegenomen.

Een slechte compositie heeft dat niet. We ervaren die als onevenwichtig, uit balans of rommelig. Er is geen duidelijke lijn of het kader klopt niet waardoor de afbeelding als het ‘wegloopt’ of wordt ‘ingeklemd’.

Ondanks dat ‘gevoel’ de essentie is, zijn er regels, of meer handvatten, omtrent het bepalen van een compositie. De meest gehanteerde regel is de zogenaamde ‘gulden snede’ of de regel van derden (verhouding 2:3). Klinkt deftig, maar niemand legt een lineaal op een foto om de compositie te bepalen. Het is dan ook beter om een aantal aandachtspunten in de gaten te houden dan regels te hanteren. Dergelijke aandachtspunten kun je als het ware evalueren, niet zo zozeer op fixeren of construeren. Uiteindelijk is het de beleving van de kijker die telt, niet de set van toegepaste regels. 

Punten van aandacht zijn met name:

  • Het kader of de uitsnede, de vlakverdeling, hoe is ruimte naast een object verdeeld;
  • Keuze van brandpuntsafstand en opnamepositie;
  • De positie van de horizon;
  • Richting en samenhang van (opvallende) lijnen (statisch vs. dynamisch);
  • Repeterende lijn of patroon;
  • Symmetrie, schaduw en reflecties;
  • De voorgrond, achtergrond, perspectief, diepte en  scherptediepte.

Nog enkele punten van aandacht:

  • Volgen van ‘verdeling in derden’, gulden snede of juist in het midden;
  • ‘Zwaartepunt’, het onderscheiden van ‘zware’ delen en ‘vlakvulling’;
  • Inkaderen of doorkijk;
  • Impliciete geomtrische vormen;
  • Eenvoudig en gericht versus druk en breed;
  • De plaats van een persoon en de richting waarheen die kijkt;
  • De functie van onderdelen;
  • verstorende elementen (vermijden, vervagen of verwijderen).

Bij het evalueren van al deze aandachtspunten in de praktijk kan het helpen om in de je camera (zoeker of scherm) de 2:3 hulplijnen te tonen. Ook in Lightroom worden dergelijke hulplijnen getoond zodra je gaat bijsnijden.

Realiseer je wel dat er allerlij redenen zijn om af te wijken van een soort standaard. Dat komt met name voor bij sterke symmetrie, opvallende lijnen, relatief ‘zware’ onderdelen of dingen die er niet zo toe doen. Het gaat vooral om een bewuste afweging van dit soort punten. Kortom, je oog, je gevoel is uiteindelijk bepalend. Deze punten helpen je bij het maken van meer bewuste keuzes en daarmee betere foto’s.

Kleur

Lang geleden was een foto kleurloos: zwart, wit en alle grijstinten die daartussen zitten. Zowel zwart als wit kun je beschouwen kleurloos. Gekleurd licht wordt gevormd op basis van drie primaire kleuren: rood, geel en blauw.

Andere kleuren kun je maken door deze drie in een bepaalde verhouding te mengen. Met de mate van helderheid regel hoe licht of donker een beeld is. Alle drie op maximale sterkte toont wit, alle drie afwezig toont zwart.

Kleuren beïnvloeden elkaar, voor ons geval althans. Ze kunnen elkaar versterken, maar ze kunnen ook ‘vloeken’. Versterking zie je vooral bij complementaire kleuren zoals rood-groen of geel-blauw. Kleuren kunnen helder, kleurrijk, duidelijk aanwezig zijn of juist niet sprekend, mat en somber. 

De beleving van kleuren hangt nauw samen met het licht. Bij een bewolkte hemel worden kleuren al gauw saai, kil en somber. In de mist worden kleuren zacht. Bij zonsopkomst en zonsondergang, de ‘gouden uren’, kunnen ze vooral warm overkomen. Het meest sprekend zijn ze bij normaal zonlicht.

De keuze om van tijdstip en omstandigheden wat betreft licht en kleur hangt samen met het gevoel wat je wilt overbrengen. Van de extremen stralend, spetterend en blij tot verstillend of somber, en alles wat er tussen zit.

In het algemeen werkt een landschap of stadsgezicht niet bij een bewolkte, grijze lucht. Een portret van iemand bij een raam juist wel, omdat het zacht licht geeft zonder harde schaduwen. Een portret in de volle zon werkt vaak niet weer vanwege het omgekeerde.

Doorgaans intepreteert een camera de kleuren wel goed. Echter, een digitale camera is niet perfect waardoor het nodig kan zijn om kleuren aan te passen, als eerste met behulp van de witbalans. 

In veel foto’s worden kleuren achteraf bijgeschaafd. In Lightroom kan dat in de eerste plaats met de schuiven ‘verzadiging’ en ‘levendigheid’. 

Bij het verwijderen van alle kleuren krijg je een beeld met alleen licht en donker, de grijstinten die ontstaan bij een bepaalde verhouding tussen zwart en wit. Dit werkt goed bij een wat nostalgisch beeld, maar kan ook gebruikt worden voor een foto die het zeker waard is, maar waar de kleuren niet bijdragen aan de beleving. Vroeger was zwart-wit een beperking, nu is het een persoonlijke creatieve keuze.

Over de achtergrond van fotografie

Fotografie hangt samen met het aloude verlangen van de mens om beelden vast te leggen. Daarbij kunnen verschillende motieven een rol spelen. In de eerste plaats gaat het de fotograaf om een beeld te delen, de bijbehorende emotie te kunnen beleven of herbeleven.

Een majeure impuls is uitgegaan van de journalistiek: het kenbaar maken van wat er op de wereld gebeurt. Een andere invalshoek is de vakantiefoto, het reclamemateriaal of de beleving van de dag op social media. En niet te vergeten een foto die gewoon een mooie foto is: om de esthetiek of als kunstvorm.

Met digitale fotografie, vooral door de opkomst van de Smartphone, is het aantal foto’s dat dagelijks wordt gemaakt onwaarschijnlijk hoog. De waarde elk afzonderlijk exemplaar is discutabel. 

In wezen doet dat niet ter zake. Je fotografeert zelf, in de eerste plaats voor jezelf. Net zoals iedereen. Je hebt je eigen motivatie, je eigen methode en manier waarop je omgaat met techniek. 

Een foto is afbeelding is in beginsel de weergave van stukje fysieke werkelijkheid: het weerkaatste licht gevangen op een gevoelige plaat. Echter, daar blijft het niet altijd bij. Foto’s worden vaak bewerkt. Hoe ver kun je daarin gaan om het nog een foto te mogen noemen, in plaats van een digitale schildering? Of, is het realiteit. surrealisme of fantasy? Wanneer is er sprake van ‘kunst’? Die vragen zijn lastig te beantwoorden. Ergens liggen grenzen, maar waar?

Mogelijk krijg je dan te maken met een ethische vraagstuk. Hiervoor bestaat geen standaard of norm.  Dit ligt voor een nieuwsfoto heel anders dan voor een puur creatieve, esthetische foto. In het eerste geval verwacht je dat het een weergave van de realiteit is, in het tweede geval mag je vrijwel elke creatieve ingeving toepassen. ‘Is het dan nog een foto?’, zul je je mogelijk afvragen. Tsja, maakt het iets uit? Iedereen denkt er anders over. In elk geval: wees er eerlijk over.

Kijken en verbeelden

Twee aspecten staan aan de top van de fotograaf: kijken en verbeelden. Of, wat zie ik en wat kan en wil ik daarmee. Een derde aspect is de vraag: hoe krijg ik beeld dat gerealiseerd?

Een fotograaf verbeeldt. Soms is kijken niet eens nodig, je ziet het beeld als het ware al voor je zonder dat het werkelijkheid is. Die komt achteraan en vereist dat je de techniek en het bijbehorende proces beheerst.

Wat maakt de ene foto een betere dan de andere? Veelal is dat hetgeen de foto in de kijker oproept, de emotionele waarde. Dit is voor elk mens verschillend, immers de perceptie en het referentiekader verschilt voor een ieder. Toch zijn er voldoende overeenkomsten die maken dat ‘gemiddeldeld’ de ene foto meer zegt dan de andere en dat we dat onderling kunnen delen.

De primaire componenten zijn met name vorm, kleur en lichtval. Onder vorm valt natuurlijk ook de compositie, de samenstelling van vormen, lijnen en afbakening. Helaas is er geen recept voor. Uiteindelijk is het een kwestie van gevoel, maar ook van ervaring en ontwikkeling. Door kijken, luisteren, praten en onderling uitwisselen ontwikkel je dat gevoel voor deze materie.

Enkele tips en  vuistregels vindt je in een apart artikel over compositie. Maar hoe je het ook wendt of keert, kijken en verbeelden blijft de kern van het fotograferen. Evalueer bewust wat je ziet en wat je wilt overbrengen.

Naast de bovengenoemde primaire componenten, (vorm, kleur en lichtval) speelt natuurlijk ook de techniek een rol. Je apparatuur, de manier waarop je je gereedschapskist gebruikt en de nabewerking van het vastgelegde beeld.

Lens

Het type lens – of objectief – op je camera is sterk bepalend voor hetgeen en hoe je fotografeert. Vooral bij camera’s met verwisselbare lensen kun je hiermee bewuste keuzes maken voor het karakter van je foto.

Twee karakteristieken die bij een lens als eerste genoemd worden zijn de brandpuntsafstand en het diafragma. De brandpuntsafstand is, samen met de grootte van de sensor in de camera, bepalend voor de beeldhoek van een opname. De beeldhoek zegt in het algemeen meer dan de brandpuntsafstand omdat dit begrip vergelijkbaar is voor alle camera’s en lenzen.

Het diafragma is bepalend voor de lichtsterkte, een maat voor maximale de hoeveelheid licht die de lens doorlaat op de sensor.

Bij een zogenaamde ‘prime-lens’ is de brandpuntsafstand vast, bij een ‘zoomlens’ is die variabel. Een prime-lens geeft doorgaans een kwalitatief beter beeld, heeft een grotere lichtsterkte en een mooier bokeh-effect dan een zoomlens.

Anderzijds,  zoomlenzen zijn meer flexibel inzetbaar en zijn inmiddels veel meer gangbaar dan prime-lenzen.

Sommige lenzen zijn voorzien van beeldstabilistatie, veelal aangeduid met ‘IS’. Hierdoor wordt onscherpte als gevolg van camerabeweging onderdrukt. In principe maakt dat mogelijk om uit de hand te fotograferen met wat langere sluitertijden.  Over het belang er van wordt nogal gediscussieerd omdat de meeste camera’s zelf over meer-assige stabilisatie beschikken. Het is ook een strategie van de fabrikant.

Naast de eigen merklenzen, van de camerafabrikant, maakt een aantal aparte fabrikanten lenzen voor de belangrijkste cameramerken. Veelal heb deze een gunstiger prijs-kwaliteitsverhouding. Als je daarvoor belangstelling hebt kan het nuttig zijn een review te lezen voordat je iets aanschaft. Goede lenzen zijn nu eenmaal duur. Maar een super goede camera aanschaffen en dan bezuinigen op matige lenzen is minder verstandig..

HDR

HDR staat voor High Dynamic Range. Dynamic Range, hoog of niet, staat voor de nauwkeurigheid waarmee het volledige gebied van sterk licht tot zwak licht onderscheiden kan worden. Het menselijk oog is daarin een meester, zij het dat we soms tijd nodig hebben om het aan te passen. Neem bijvoorbeeld de situatie waarbij je vanuit een relatief donkere ruimte opeens naar buiten loopt in het felle zonlicht: je even vrijwel niets door ‘overbelichting’  van je netvlies.

Je ogen kunnen zich ook snel aanpassen over een kleiner dynamisch bereik. Is er zowel zon als schaduw aanwezig, dan past je oog zich al aan op het moment dat je die richt op een schaduwgebied. Je ziet dan al de doortekening van het schaduwgebied zonder dat je ogen zich iets aantrekken van het felle zonlicht op gebieden daar omheen.

Aan de andere kant, het kan ook overtrokken worden (over-the-top): dat levert onnatuurlijke beelden op.

De (digitale) techniek van dit moment kan dit niet. De sensor in een camera is simpelweg niet in staat om in één opname een goede doortekening van zowel schaduwen als hooglichten vast te leggen. Daarom zoeken we bij de belichting doorgaans een compromis tussen de donkerste delen van het zichtveld (schaduwen) en de lichtste delen (hooglichten). Veelal zijn dan geen van beiden perfect en zoeken we een andere oplossing om het beoogde resultaat te bereiken.

In de eerste plaats is dit een reden om RAW beelden vast te leggen in plaats van alleen JPG beelden: de sensor in een camera heeft doorgaans een hoger dynamisch bereik (meer verschillende waarden tussen licht en donker) dan een JPG beeld. Daarom kun je achteraf uit een RAW beeld meer doortekening van schaduwen of hooglichten naar voren ’toveren’ dan uit een JPG beeld. Met HDR kom nog een stap verder dan met schaduwen en hooglichten.

Omdat we uiteindelijk elke foto terugbrengen tot JPG, is een HDR foto ook een beetje nep. Het komt er op neer dat te lichte delen wat getemperd worden en schaduwen wat opgekrikt en het geheel weer terug gezet in een JPG. Daardoor zie meer doortekening in beide delen van een foto. Een consequentie is derhalve dat een foto niet meer in zijn geheel bewerkt wordt, maar per onderdeel op een verschillende manier.

Dit mechanisme gaat hier nog een slag verder door het eindresultaat te maken op basis van een combinatie van meerdere foto’s met verschillende belichting: van overbelicht tot onderbelicht. De software weet daar weg mee en in bepaalde gevallen kun je dat ook handmatig bijwerken. Het resulteert in meer sprekende foto’s in zowel kleurtoon als helderheid.